Ik maak me zorgen om mijn kind

Maak je je zorgen om je kind? Praat er dan over met de leerkracht*. Maak hiervoor een afspraak op een rustig moment. Wacht er niet te lang mee. Het is voor jou en je kind het beste om zo snel mogelijk over je zorgen te praten.

Bij het maken van een afspraak vertel je alvast kort waar je je zorgen om maakt. Zo kan de leerkracht zich voorbereiden. Tijdens het gesprek kun je je zorgen uitgebreid bespreken. De leerkracht zal je vertellen hoe het met jouw kind gaat. En of hij/zij jouw zorgen herkent. Je kunt ook vragen of de intern begeleider (IB-er) of zorgcoördinator bij het gesprek kan zijn. Deze persoon zorgt er op school voor dat kinderen extra hulp krijgen .

Hieronder zie je een aantal vragen die je kunt hebben als je je zorgen maakt om je kind. Heb je een andere vraag? Laat het ons weten, we helpen je graag!

*In het basisonderwijs noemen we deze personen een leerkracht. In het middelbaar onderwijs is dit de mentor.

Mijn kind gedraagt zich anders dan zijn/haar leeftijdsgenoten, is dat erg?

Dat hoeft niet erg te zijn. Elk kind is anders, dat is juist iets moois. Als ouder kun je soms automatisch je kind vergelijken met andere kinderen. Dat is niet altijd erg. Soms kom je zo achter leuke of belangrijke verschillen. Maar het gebeurt ook wel eens dat je je ineens enorm zorgen begint te maken. Terwijl je niet zeker weet of dat nodig is.

Als je je zorgen maakt, praat dan eerst met mensen die je kind ook goed kennen. Mensen die jij vertrouwt en waar je kind echt zichzelf kan zijn. Vraag hen bijvoorbeeld hoe zij jouw kind zien. Is hen iets opgevallen?  Hoe zouden zij jouw kind omschrijven?

Omschrijf daarna jouw twijfels of zorgen en kijk hoe ze reageren. Herkennen ze wat je zegt? Of zien ze het anders? Misschien ben je al gerustgesteld nu je er over hebt gepraat. Het kan ook zijn dat jullie ontdekken dat de zorgen terecht zijn en dat er hulp nodig is. Ga dan op zoek naar een expert. Dat kan de leerkracht* zijn, maar ook de huisarts of iemand van het Centrum voor Jeugd en Gezin.

Wacht hier niet te lang mee. Het is voor jou en je kind het beste als je hulp zoekt en over je zorgen praat.

*In het basisonderwijs noemen we deze persoon een leerkracht. In het middelbaar onderwijs is dit de mentor. Waar ‘leerkracht’ staat, mag je dus ook ‘mentor’ invullen.

Mijn kind doet het minder goed dan zijn/haar klasgenoten, wat nu?

Elk kind leert in zijn eigen tempo en op zijn eigen manier. Dat is belangrijk om te onthouden. Dit kan betekenen dat je kind het (soms) minder goed doet dan zijn/haar klasgenoten. Dat is niet meteen een probleem. Maak je je zorgen? Dan is het belangrijk dat je hierover praat met de leerkracht*. Maak een afspraak en bereid je goed voor op dit gesprek. Kijk voor tips bij: ‘Hoe bereid ik me goed voor op een gesprek met de leerkracht?’ 

Wat kan wél?
Misschien ga je na het gesprek gerustgesteld naar huis. Het kan ook zijn dat dit gesprek het begin is van een ‘reis’ om passend onderwijs voor je kind te regelen. Dit doe je samen met school.

Als je samen praat over de zorgen om je kind, praat je vaak over de problemen. Dat is jammer. De oplossing vind je namelijk meestal niet bij wat je kind niet kan (het probleem), maar juist bij wat je kind wél kan. Probeer daarom met de leerkracht duidelijk te krijgen wat je kind, jijzelf en de school wél kan doen. Denk bijvoorbeeld aan:

  • Waar is jouw kind goed in?
  • Wat heeft je kind nodig om zich lekker te voelen?
  • Welke mogelijkheden zie jij voor je kind?

Maak afspraken
Eigenlijk werk je samen met de leerkracht om een fijne en goede schooltijd voor je kind te organiseren. Spreek daarom samen af wat jullie een goede manier vinden om de ontwikkeling van jouw kind in de gaten te houden. Spreek ook af hoe jullie jouw kind helpen om plezier te hebben op school. En hoe de leerkracht ervoor zorgt dat jouw kind geaccepteerd wordt zoals hij/zij is. Spreek ook af hoe je aan de belt trekt als je merkt dat het niet goed gaat. *In het basisonderwijs noemen we deze persoon een leerkracht. In het middelbaar onderwijs is dit de mentor. Waar ‘leerkracht’ staat, mag je dus ook ‘mentor’ invullen

Ik herken niet wat de leerkracht zegt, wat kan ik doen?

Het kan gebeuren dat je niet herkent wat de leerkracht* zegt over jouw kind. Zij zegt bijvoorbeeld dat jouw kind in de klas erg onrustig is. Jij kunt je moeilijk voorstellen dat jouw kind zoveel wiebelt. De leerkracht kan zich moeilijk voorstellen dat hij thuis uren kan zitten lezen. Jullie hebben verschillende ervaringen en daardoor ook een ander beeld van jouw kind. Dat is niet erg. Maar het is daarom extra belangrijk dat je daar met elkaar over praat. Zonder oordelen en zo open mogelijk.

Praat met de leerkracht

Een gesprek hierover plan je in op een rustig moment. Geef van tevoren aan waar je over wil praten. Zo kan iedereen zich goed voorbereiden.

Je kunt je voorbereiden door na te denken over de volgende vragen:

  • Wat herken ik wel in het gedrag van mijn kind op school?
  • Wat herken ik niet?
  • Wat zou de reden kunnen zijn dat ik sommige dingen niet herken?
  • Hoe pak ik bepaalde situaties thuis aan? Kan ik dit uitleggen? Bedenk hierbij voorbeelden. Soms kan dit de leerkracht erg helpen.
  • Wat heb ik nodig om duidelijkheid te krijgen over hoe het gaat met mijn kind op school?
  • Vind ik het prettig om iemand anders van school (of daarbuiten) bij het gesprek te hebben?

Wat vind jij er van?

Denk ook na over jouw emoties over dit onderwerp. Zijn die negatief? Vind je het vervelend of irritant dat de leerkracht een ander beeld heeft van jouw kind? Of zijn je emoties positief? Vind je het fijn dat de leerkracht het aangeeft en dat jullie in gesprek gaan?

Probeer je gevoel hierover eerlijk te omschrijven tijdens het gesprek. Vraag ook wat de leerkracht voor gevoel erover heeft. Dit zorgt voor een open sfeer.

*In het basisonderwijs noemen we deze persoon een leerkracht. In het middelbaar onderwijs is dit de mentor. Waar ‘leerkracht’ staat, mag je dus ook ‘mentor’ invullen.

De leerkracht stelt extra ondersteuning voor. Wat gebeurt er nu?

Wanneer de leerkracht* denkt dat jouw kind extra hulp nodig heeft, komt er een gesprek met jou als ouder. Je praat met mensen van school, zoals de leerkracht en de intern begeleider (IB’er) of zorgcoördinator. Soms praten er ook andere deskundigen mee. Denk bijvoorbeeld aan een psycholoog, jeugdarts of logopedist. Deze gesprekken noem je een multidisciplinair overleg. Afgekort is dat een MDO.

Extra onderzoek

Soms is er extra onderzoek nodig. Bijvoorbeeld door een psycholoog of een logopedist. Als ouders moet je hiervoor altijd eerst toestemming geven. Je bent niet verplicht om toestemming te geven, stel dus gerust eerst vragen. Bijvoorbeeld: waarom vindt de school dit onderzoek nodig? Of, wie gaat het onderzoek doen? En hoe ziet dat onderzoek eruit?

De uitslagen hiervan worden meestal besproken in het MDO. Als ouder krijg jij altijd als eerste het verslag van het onderzoek te lezen. Ook als het onderzoek is afgenomen door iemand van de school.

Ontwikkelingsperspectief

Op basis van de onderzoeken en de gesprekken in het MDO wordt er met jou (en jouw kind) een plan gemaakt. Dit plan noem je het ontwikkelingsperspectief (OPP).

Evalueren

School houdt in het dossier van jouw kind bij hoe het gaat met de extra hulp. Minstens één keer per jaar bespreekt de school met jou het ontwikkelingsperspectief. School vertelt dan hoe ze denkt dat jouw kind zich zal ontwikkelen. En of de hulp die jouw kind krijgt nog steeds op dezelfde manier nodig is. Natuurlijk geef jij ook jouw mening hierover. Het ontwikkelingsperspectief kan na dit gesprek worden veranderd.

Jouw kind wordt betrokken

Het is erg belangrijk dat jouw kind mee doet in het proces. Kindgesprekken zijn daar een belangrijke manier voor. Die horen gevoerd te worden, met jouw kind. Daar kun je als ouders altijd naar vragen.